Burgerschapsvorming

Burgerschapsvorming. Laat het woord even inzinken. Wat voor associaties en gevoelens roept het op? De kans is aanwezig dat u één van onderstaande gedachtesporen volgt:

A: Burgerschapsvorming? Gaat dat niet om het overdragen van gedeelde waarden, over omgangsvormen en gedragsregels? Over ‘de ander respecteren’. Over normen en waarden. Beelden van commissies van Jan Peter Balkende. Aan Dries van Agt. Ethisch reveil. Wormen en maden. Geitenwollensokken. Burgerlijk. Bah, ik haak af.

B: Burgerschapsvorming? Maatschappelijke toerusting? Socialisering? Wat verstaan we in hemelsnaam onder deze termen? Is burgerschapsvorming voorbehouden aan het vak maatschappijleer? Moet het verankerd liggen in de visie van de school? Of was het missie? Zit burgerschapsvorming expliciet in het curriculum, of juist niet? Hebben we het hier over Bildung? Verwarrend. Bah, ik haak af.

C: Burgerschapsvorming? Staatspedagogiek. Brrrr. Dat moeten we helemaal niet willen. Noord-Koreaanse toestanden. Beelden van totalitaire regimes die kindertjes kneden tot brave modelburgers. Vast weer iets uit de 2032 koker. Paul Schnabel. Geschiedenis afschaffen. Dystopisch. Bah, ik haak af.

D: Geen van de drie, of alle drie, of een beetje. Flauw eigenlijk, om een blog op deze manier te beginnen. Die Rijpma altijd met zijn slappe gezwets. Bah, ik haak af.

Bent u er nog? Fijn. De kans is groot dat u concrete voorstellingen heeft bij het begrip burgerschapsvorming. Of juist niet, maar dat u er wat over wilt leren. Ik zelf wil er ook graag wat meer over leren. Ik heb om deze reden de 2Doc documentaire Maatschappijleer gezien, maar ben daar niet veel wijzer van geworden. De documentaire ging over de Tilburgse stagiair Daan Faassen en diens leercurve om uit te groeien tot zelfstandig docent. Prachtig om te zien hoe Daan zijn eigen stijl ontwikkelt, ondanks een stagebegeleider die hem ten overstaan van een klas corrigeert en een leraaropleider die hem inprent dat hij niet te veel illusies moet koesteren over het aanleren van maatschappelijke participatie bij zijn leerlingen. Toch was ik niet tevreden over de documentaire. Het zal vermoedelijk de keuze van de documentairemakers zijn geweest, het is mij wel eens duidelijk gemaakt dat de combinatie talking head / lessituatie ‘nu eenmaal saaie TV oplevert’.

Het Hyperion Lyceum was onderdeel van de scholentour die verbonden is aan deze documentaire. Dit heeft een interessant gesprek opgeleverd over de plek van burgerschapsvorming op mijn school. Ik denk dat de manier waarop het gesprek gevoerd werd exemplarisch is voor de wijze waarop veel scholen in Nederland zich verhouden tot het ‘doeldomein’ burgerschapsvorming. Het gesprek kwam enigszins laat op gang, misschien wel vanwege de eerder genoemde voorstellingen en vraagtekens die leven rond dit begrip. Een rondgang van gespreksleider Simon leverde een aantal concrete voorbeelden op: lastige gesprekken met leerlingen na grote gebeurtenissen, voorbeelden van projecten, geschiedenisleraren die zich roerden. Uit het gesprek tussen collega’s dat volgde zijn we momenteel een notitie burgerschapsvorming aan het destilleren voor onze jonge school.

Voorop gesteld, we zijn nog volop aan het nadenken over dit thema. Toch krijg ik de indruk dat het volgens mij niet zo ingewikkeld hoeft te zijn. Burgerschapsvorming komt neer op maatschappelijke toerusting. Het gaat om het aanleren van kennis- vaardigheden en attitudes die een leerling in staat stellen om als volwaardig burger te participeren in de maatschappij. Voortschrijdend inzicht leert mij dat burgerschapsvorming ten dele in het curriculum te vangen is en ten dele aangeleerd wordt vanuit het (bewust) pedagogisch handelen van de leraar.

Ten aanzien van kennis gaat het volgens mij vooral om een kennismaking met de democratische rechtstaat. Kennis dus over het functioneren van onze democratische instituties, over de rechten en plichten die burgers hebben en over de betekenis van mensen- en kinderrechten. Dit kennisdomein is traditioneel ondergebracht bij de vakken maatschappijleer en geschiedenis, maar als docent geschiedenis kan ik u verklappen dat dit domein in de praktijk vaak wat povertjes tot uitdrukking komt. Aan (kinder)rechten kan naar mijn mening ook meer aandacht worden besteed. Zoals student Levi Renneberg onlangs in het NRC betoogde: ‘Slagen we erin een grotere rechtsbewustheid en meer juridisch denkvermogen te creëren, dan heeft wet- en regelgeving ook meer effect. Dan weten we welke rechten en plichten we hebben, hoe we deze rechten kunnen opeisen en deze plichten moeten vervullen’.

Ten aanzien van vaardigheden gaat het volgens mij vooral om sociale vaardigheden. Dat wil zeggen: gespreksvaardigheden, kritisch denken en het verantwoordelijk om kunnen omgaan met social media. In mijn lessen maak ik graag gebruik van het Socratisch gesprek als werkvorm. Het stelt mijn leerlingen in staat om kritisch na te leren denken over uiteenlopende onderwerpen. Door middel van onderzoekende en verkennende vragen leren we een bepaalde casus of een bepaald thema vanuit alle mogelijke hoeken te belichten. Dat is niet alleen leuk om te doen, het leert hen ook te luisteren naar- en respectvol te reageren op hun gesprekspartners. Vaardigheden waar menig volwassene nog wat van kan leren. Daarnaast ben ik van mening dat social media een steeds belangrijker rol spelen in ons leven en zeker in die van de leerling. Een verantwoordelijke omgang met deze media (denk bijvoorbeeld aan kwesties rond privacy) is om deze reden van cruciaal belang.

Ten aanzien van attitudes gaat het volgens mij vooral om maatschappelijke betrokkenheid. Idealiter zou onderwijs moeten vormen tot geëngageerde leerlingen, betrokken bij ontwikkelingen in de wereld en toegerust met een open blik naar de ander. Leerlingen die een eigen perspectief op de wereld gevormd hebben. Toetsbaar is dit natuurlijk niet. Hoe kun je meten of iemand geëngageerd is? Deze discussie raakt een fundamentele kwestie: onderwijzen we met een helder geformuleerd doel voor ogen, of laten we de leerling vrij om zichzelf te vormen? Op dit punt lopen de meningen sterk uiteen. Mijn persoonlijke opvatting: onderwijs geven is een ontzettend leuke bezigheid, maar ook een grote verantwoordelijkheid. De docent raakt gedurende zijn loopbaan het leven van veel mensen. Hij of zij kan – nee, moet – ‘normen en waarden’ overdragen op de volgende generaties, uiteraard in samenspraak met de school, de leerlingen en (liefst ook) de ouders. Daarom is het van essentieel dat docenten idealen vormen en deze weten te vertalen naar hun lesdoelen. Dus, wat wil ik meegeven aan de aankomende generaties? Ten behoeve van de lengte van dit stuk zal ik het bij twee concrete voorbeelden houden. Allereerst vind ik het belangrijk dat leerlingen leren om niemand buiten te sluiten, meer specifiek op basis van culturele of seksuele identiteit. Een open houding naar ‘de ander’ dus. De geschiedenis heeft aangetoond dat het buitensluiten van groepen in de samenleving tot desastreuze gevolgen kan leiden. Ten tweede: oog hebben voor maatschappelijke verschillen. We hoeven niet een reis naar Bangladesh te maken, of door de 700 pagina’s van Kapitaal in de 21ste eeuw te ploeteren om tot het inzicht te komen dat maatschappelijke ongelijkheid een gegeven is. Het gaat er om wat toekomstige generaties er aan kunnen doen. We moeten leerlingen laten inzien dat ieder individu invloed kan hebben op de maatschappij.

Voorts moeten we onderzoeken of deze kennis- vaardigheden en attitudes geïntegreerd zijn bij relevante vakken, zoals maatschappijleer, of dat het onderdeel vormt van een ‘schoolbreed curriculum’. Hier zien we hoezeer de discussie over burgerschapsvorming verbonden is aan het debat (of is het een moddergevecht?) rond Onderwijs2032. In het rapport van de commissie-Schnabel maakt ‘burgerschapsvorming’, naast taal en rekenen, deel uit het van het voorgestelde kerncurriculum. De commissie hecht dus veel waarde aan burgerschapsvorming. Ze stellen voor dat iedere school op haar eigen manier invulling geeft aan dit doeldomein, afhankelijk van diens specifieke leerling populatie, levensbeschouwelijke signatuur of pedagogisch-didactische visie. Het is in deze opzet dan ook van cruciaal belang dat het gesprek over burgerschap op de scholen van de grond komt. Ik hoop dat ik met dit blog hiertoe een bijdrage kan leveren, als het niet te veel tekst wordt tenminste.

Zelf zie ik ook kansen in het mentoraat. Ik ben zelf het afgelopen jaar voor het eerst in jaren geen mentor geweest. Volgend jaar waarschijnlijk weer wel. Ik kijk er naar uit, want het is de mentor bij uitstek die van invloed is op het leven van de leerling. Wat ik hier boven over de vakdocent heb geschreven geldt misschien nog wel meer voor het mentoraat. Vooral het één op één contact met de leerling heb ik altijd gewaardeerd. Het groepsproces aansturen vond (en vind) ik altijd maar lastig, zeker omdat er zoveel onder de radar gebeurde op momenten dat ik er zelf niet bij was. Het bewust stimuleren van positieve groepsvorming is letterlijk een vak apart. Daar heb ik op de leraaropleiding niets over geleerd. Een (mentor)klas is een maatschappij in het miniatuur, met eigen regels en waarden. Burgerschapsvorming zit dus voor een belangrijk deel in het mentoraat verankerd, maar er zijn maar weinig scholen die hier expliciet en doelbewust invulling aan geven.

Om deze reden heb ik zelf wel eens voorgesteld om naar het voorbeeld van Janos Korczak een jongerenrechtbank in te stellen in de mentorklas, waar ruzies en akkefietjes op democratische wijze afgehandeld worden. Geen origineel idee, maar het raakt wel verschillende kennis- vaardigheden en attitudes die hierboven besproken worden. De Janusz Korczak Stichting biedt trainingen aan, mocht u interesse hebben.

Ten slotte had ik nog willen pleiten voor een terugkeer van de maatschappelijke stage op scholen, zo mogelijk gekoppeld aan het mentoraat en/of aan een persoonlijk portfolio. Sommige scholen doen er nog aan, anderen hebben het afgeschaft bij gebrek aan plaatsen. Doodzone. Om burgerschapsvorming van de grond te krijgen op scholen moet de maatschappij niet alleen het klaslokaal ingehaald worden, de kinderen moeten het klaslokaal uit. Er valt veel winst te boeken als de verbinding gemaakt wordt met de schoolomgeving. Om toch even terug te keren bij de documentaire van 2Doc: het sterkste moment in de docu was in mijn beleving het moment waarop de kinderen een asielzoekerscentrum bezochten. Het contact met vluchtelingen en het fysiek bezoeken van het AZC bracht een leerervaring teweeg bij de leerlingen van Daan die zichtbaar was voor de kijker.

Zoals het voorbeeld van het mentoraat laat zien zit burgerschapsvorming niet alleen verankerd in het curriculum, maar ook in het pedagogisch handelen van de leraar. Het gaat om het kunnen creëren van een veilige omgeving – een absolute basisvoorwaarde om tot burgerschapsvorming te komen. Een omgeving waarbij leerlingen respectvol met elkaar omgaan in gedrag, taal en houding. De leraar draagt zijn of haar voorbeeldfunctie uit en stelt heldere omgangsvormen. Tot zover het bekende verhaal. Het is de kunst om in hier in het pedagogisch handelen bewust, expliciet en doelgericht invulling aan te geven. Ook op dit gebied schieten naar mijn idee leraaropleidingen nog te kort. Er lopen momenteel echter wel een aantal veelbelovende initiatieven die leraren zouden moeten helpen om bewuster invulling te geven aan de persoons- en burgerschapsvormende doeldomeinen in hun pedagogisch handelen.

Het is volgens mij ook goed dat de leerlingen zelf een rol krijgen in de invulling van burgerschapsvorming op school. In een interview met Jan Coster vertelt de voormalig rector van Zaanlands Lyceum over een vijfde klasser die een tweede klas leerling aansprak op diens gedrag. Een fraai voorbeeld van peer learning. Op mijn school gaan we vanaf het komende schooljaar ook bewuster een beroep doen op de voorbeeldfunctie van ouderejaars leerlingen. Iedere onderbouwklas krijgt een aantal ‘hulpmentoren’ aangewezen, die als aanspreekpunt fungeren en het goede voorbeeld geven.

Samengevat denk ik dat burgerschapsvorming, oftewel maatschappelijke toerusting, voor een deel te vangen is in het curriculum. Onderwijs2032 biedt een prachtige kans voor scholen en leraren om het gesprek aan te gaan hoe zij op hun school invulling willen geven aan dit doeldomein. Verder denk ik dat burgerschapsvormring verankerd ligt in het pedagogisch handelen van de leraar, hoewel leraren op dit moment onvoldoende voorbereid zijn om hier bewust, expliciet en doelgericht op in te spelen. Als wij leraren en mentoren hier een slag in willen slaan, dan hebben we tijd nodig. Tijd om van elkaar te leren, tijd om met elkaar in gesprek te gaan over de vraag hoe wij invulling willen geven aan burgerschapsvorming op onze school. Tijd om onderwijs te ontwerpen dat hierbij aansluit en tijd om in gesprek te gaan met onze leerlingen. Op dit moment hebben we die tijd niet, omdat we simpelweg te veel lessen moeten geven. Daarom zou ik willen eindigen met een pleidooi om het aantal lesgevende uren te verminderen, naar 20 uur per week.

Vanavond ga ik hierover in De Balie in debat met o.m. staatssecretaris Sander Dekker. Het debat is live te volgen via http://www.live.debalie.nl/.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s