Lessen uit Australië

Vandaag heb ik het Department of Education van New South Wales, Australië bezocht. Ik ben uiterst gastvrij ontvangen door twee ‘policy officers’, die een interessant inkijkje boden in een voor mij vreemd onderwijssysteem. Hoewel vreemd, al tijdens de voorbereiding werd het mij duidelijk dat ook Australië met dezelfde vragen en uitdagingen zit als Nederland en ongetwijfeld de meeste andere moderne onderwijssystemen. In deze post wil ik één van de meest prangende vragen waar we momenteel mee worstelen in een internationaal perspectief plaatsen:

Hoe bereiden we onze kinderen voor op de 21ste eeuw?

Zoals bekend zijn veel ‘opinion leaders in het onderwijs van mening dat de 21ste eeuw fundamenteel andere eisen stelt aan onze leerlingen dan de voorgaande eeuwen. Het curriculum moet op zijn minst afgestoft worden en volgens sommigen zelfs grondig hervormd worden. Oude content, zoals Franse woordjes of jaartallen bij geschiedenis, moeten plaats maken voor fonkelnieuwe ’21st century skills’ zoals samenwerken, communiceren, creatief- en kritisch denken. Heel modern zijn die vaardigheden natuurlijk niet. ‘Communiceren’, of ‘sociale en culturele vaardigheden’ zijn zo oud als de mens zelf. Hierdoor ervaren veel mensen weerstand tegen deze (term) 21st century skills. Dat vind ik persoonlijk doodzonde, want het zijn stuk voor stuk waardevolle competenties. Merkwaardig ook, want wie is er nu tégen zaken als creatief denken en probleemoplossend vermogen?

Het is niet verwonderlijk dat deze competenties opgenomen worden in de curricula van alle landen die in een hervormingsbeweging zitten. Zie bijvoorbeeld de resultaten van Schotland, of van de Canadese deelstaten Alberta en Ontario. Ook Nederland beweegt in die richting, gelet op de opbrengsten van de brainstormfase van #onderwijs2032, onze eigen curriculumvernieuwingsbeweging. De verhouding tussen vakspecifieke kennis en vaardigheden enerzijds en vakoverstijgende competenties anderzijds is dan ook een interessant vraagstuk, waar per onderwijssysteem verschillende keuzes worden gemaakt. Progressieve systemen, zoals Alberta en Ontario, zitten meer in de hoek van de competenties. In Australië lag aanvankelijk de nadruk ook op de vakoverstijgende competenties, maar na stevige kritiek op het nieuwe curriculum zijn ze (iets) meer in de richting van kennis teruggeschoven. 21st century skills blijken in de praktijk lastig meetbaar. Hoe test je of een leerling creatief kan denken? Wanneer is iemand een ethisch handelende wereldburger? Een keuze voor de competenties betekent loslaten, risico durven nemen. Daar zijn niet alle systemen klaar voor. In Australië is ‘evidence based learning’ het sleutelwoord. Wat werkt zichtbaar? Niets voor niets woont en werkt John Hattie in Australië.

Dan is er de vraag of er een gecentraliseerd ‘nationaal’ curriculum moet komen of dat regio’s, scholen en docenten meer autonomie krijgen over wat ze hun kinderen willen leren. Nederland heeft één van de meest vrije onderwijssystemen op de wereld. Eigenlijk zijn alleen de eindtermen centraal vastgelegd. Scholen kunnen autonoom bepalen op welke manier zij hun leerlingen naar die eindtermen begeleiden en wat zij hen daarnaast willen meegeven. Ik heb overigens niet het idee dat docenten dit gevoel van vrijheid daadwerkelijk ook echt ervaren, maar dat is een ander verhaal. Een gecentraliseerd curriculum gaat er hier in geval niet komen. Onderwijs2032 gaat over het herijken van de eindtermen. In Australië liggen de verhoudingen anders. Daar was het een strijd tussen deelstaat en federale regering, die gewonnen is door de federalisten. Het nieuwe curriculum heeft dan ook een sterk gecentraliseerd karakter. Dat heeft nadelen. Leraren zijn in dit stelsel veel eerder uitvoerders dan ontwerpers, laat staan autonoom handelende ‘teacher leaders’. Maar er zijn zeker ook voordelen verbonden aan een gecentraliseerd nationaal curriculum. Die hebben vooral te maken met kwaliteitsbewaking en met de doorstroming tussen sectoren, vervolgopleidingen en tussen regio’s onderling. Alle Australiërs worden immers volgens dezelfde richtlijnen onderwezen.

Voorts is er de vraag hoe het curriculum onderwezen gaat worden. Blijft er in vaste kaders gewerkt worden, of gaat de hervorming van het curriculum gepaard met een stelselwijziging? In Alberta, de Canadese staat die ik vorige maand met een delegatie bezocht heb, is ook het hele stelsel op de schop gegaan. Het uitgangspunt daar is dat het eigenaarschap over het leerproces bij leerling moet komen te liggen. Het onderwijssysteem is rond dat ene principe opgebouwd. In Australië veranderd alleen de content, maar blijft men binnen dezelfde kaders werken. De vraagt rijst natuurlijk of zo’n hervorming dan wel zin heeft.

Het Australische curriculum is opgebouwd rond een aantal leergebieden, zoals ‘humanities and social sciences’, ‘technology’ en ‘work studies’. Ieder leergebied kan verschillende vakken omvatten. Zo bestaat humanities and social studies uit geschiedenis, aardrijkskunde, economie en maatschappijleer. Per vak zijn zowel de eindtermen als de leerdoelen nauwkeurig omschreven, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen kennis en vaardigheden. Daarnaast bestaat het curriculum uit zeven competenties en drie inhoudelijke thema’s die dwars door de leergebieden verweven zijn. De competenties komen ruwweg overheen met de 21st century skills, aangevuld met geletterheid en rekenkundigheid. De drie inhoudelijke thema’s zijn: duurzaamheid, aboriginal cultuur en geschiedenis en de relatie tussen Australië en Azië. Deze zeven competenties en drie thema’s moeten in ieder leergebied terugkomen. Dat leidt in de praktijk soms tot knotsgekke situaties, waar bijvoorbeeld de docent geschiedenis ook verantwoordelijk is voor het rekenkundig vermogen van zijn leerlingen en de docent Engels aangesproken kan worden op de hoeveelheid aandacht die hij of zij aan duurzaamheid besteedt. Een weeffout waar wij in Nederland wat van kunnen leren.

Persoonlijk ben ik erg benieuwd welke keuzes er straks in Nederland worden gemaakt. Worden docenten betrokken bij de herijking van de eindtermen? Staatssecretaris Sander Dekker heeft gezegd dat onderwijs veel te belangrijk is om alleen aan leraren over te laten. Als docent deed me dat zeer. Ik zie goed leraarschap als vakmanschap. Een vakman stelt leerdoelen op vanuit een visie, is ambitieus en betrokken en beschikt over vakkennis en ambachtelijke vaardigheden. Dit zijn juist de vakmensen die de fundamenten van het nieuwe curriculum moeten gaan leggen. Ik wil mij de komende tijd dan ook gaan inspannen voor het eigenaarschap over de curriculumhervorming, die in mijn optiek meer bij de beroepsgroep moet komen te liggen.

Een andere vraag die relevant is vanuit het internationale perspectief: gaan de eindtermen aangevuld worden met nieuwe, vakoverstijgende competenties? Kijkend naar de richting die het onderwijs2032 project heeft genomen lijkt mij dat zeer waarschijnlijk. Het platform onder leiding van Paul Schnabel, die momenteel vanuit deze vraag een ‘maatschappelijke dialoog’ aangaat, komt in het najaar met een aanbeveling. Het platform doet er goed aan om lering te trekken uit het internationale perspectief. De overeenkomsten tussen de hervormde curricula uit andere landen zijn opvallend. Ik ben nieuwsgierig welke vakoverstijgende vaardigheden het platform de nadruk op gaat leggen en wat precies het profiel wordt van een ‘onderwezen Nederlander’, maar ik vermoed dat het resultaat niet veel zal verschillen van landen als Canada of Australië.

Na de maatschappelijke dialoog start de ‘ontwerpfase’ en worden de eindtermen herschreven. Ik ben eigenlijk vooral benieuwd wat de balans gaat worden tussen vakspecifieke kennis en vaardigheden enerzijds en vakoverstijgende competenties anderzijds. Dit zal belangrijke gevolgen hebben voor de inhoud van ons onderwijs. De ‘ontwerpers’, die in het najaar gaan beginnen met het herijken van de eindtermen, zullen er dan ook goed aan doen om te luisteren naar de beroepsgroep. Als het monumentale onderwijspand gerenoveerd gaat worden dan betrek je daar toch vakmensen bij?

2 gedachtes over “Lessen uit Australië

  1. Dag Jasper,
    Wat mij verbaast in de discussie (of eigenlijk dat die discussie niet wordt gevoerd, jij stipt hem aan – hulde!) is dat de uitkomst concretere eindtermen zouden moeten zijn. Dat is dan bedoeld om de uitgeverijen op meer afstand te krijgen want zij zijn te bepalend in het handelen van de docent. In zijn brief heeft Sander Dekker aangegeven dat scholen (schoolleiders en docenten) dus vragen om concretere eindtermen of uitwerkingen daarvan zoals SLO dat maakt. En daar geloof ik weinig van. Ik vind dat ongeveer hetzelfde als dat de uitgeverijen zeggen dat docenten behoefte hebben aan hun uitgewerkte methode, het liefst in een boek. Jij geeft aan dat we een van de meest vrije onderwijssystemen hebben, om dan met een tussenzin te zeggen dat docenten dat niet zo ervaren (en er achteraan te zeggen ‘maar dat is een ander verhaal’). Ik denk juist dat daar het verhaal zit. De globale eindtermen (wie kent ze niet 🙂 ) zijn helemaal uitgewerkt door SLO en verwerkt in de methodes vd uitgeverijen. En dus zijn docenten geen ontwerpers maar uitvoerders. Jij ziet dat juist als nadeel van het staatscurriculum. Maw: Als je geen staatscurriculum wilt, hoe zorg je er dan voor dat de invulling wel in de school plaatsvindt? . Daar gaat een herijking van de eindtermen toch niets aan verbeteren?

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s